Onder mijn voeten knisperen spierwitte zoutkristallen. Iedere stap kraakt een beetje alsof je door verse sneeuw loopt.
Ondanks dat ik mijn zonnebril op heb, moet ik mijn ogen samenknijpen tegen het reflecterende licht.
De bergen aan de horizon worden perfect weerspiegeld in het tijdelijke meer dat gevormd is door regenwater en als ik achterom kijk zie ik bijna negentig meter boven me een bordje hangen, met: ‘zeeniveau’.
We rijden over een slingerende weg tussen roodbruine rotsen door. Links, rechts, omhoog, omlaag.
De langzaam steeds lager staande zon laat de kleuren van het gesteente nog feller gloeien. Als kooltjes in een vuur. We hoeven ons niet meer af te vragen waar deze vallei haar naam aan te danken heeft.
Stap voor stap, voet voor voet. Kilometer na kilometer en mijl na mijl. Langs bandjes, DJ’s, casino’s, duizenden lampjes. Langs de kant staan mensen met bordjes met ‘you are my favorite runner!’, ‘you paid to do this’ en ‘remember your why’.
We zijn ruim 16 kilometer onderweg en ik merk aan Jan dat hij er klaar mee is. Zijn lijf doet zeer, zijn brein fluistert in z’n oren dat het beter is om te stoppen, waarom doe je jezelf dit aan? Maar hij zet door. Stap na stap, voet na voet.
‘Keep fighting brother!’ roept een zichtbaar vermoeide man langs de kant, met een medaille om zijn nek. Hij is al klaar. Hij wel.
Dan piepen onze horloges. Twinting kilometers zitten er op. Nog 1,1 te gaan. Jan recht zijn rug, snuift diep in en vindt een nieuwe versnelling. ‘Wooooh, let’s goooo, you’re doing it!’ klinkt er langs de kant.
Yes, let’s go. Op naar de finish!
Ik sta met mijn voeten op een smal randje en hou me vast aan de rotsen. De dame die me tegemoet komt en waarvoor ik even ruimte maak, schuifelt voorzichtig op haar billen de rotsen af.
Dan het onmiskenbare geluid van een telefoon die naar beneden valt. Tak, tak, tak, plons; in het beekje dat zich gevormd heeft op wat eigenlijk het pad hoort te zijn.
‘Ik heb het weer voor elkaar’, denk ik bij mezelf. Een pad gekozen dat eigenlijk geen pad is.
Het zal in de familie zitten.
Als ik naar links kijk, zie ik het Vrijheidsbeeld, en als ik naar rechts kijk de Eiffeltoren. Achter me hangt een huizenhoge gitaar en grote glimmende wolkenkrabbers steken hoog de lucht in. Mannen met cowboyhoeden, vrouwen met enorme stanley cups, auto’s in felle kleuren, pompende muziek, blinkende casino’s, gigantische hotels, ontelbare bars, eten, drinken, neonlichten en gokkasten schreeuwen allemaal om mijn aandacht. Ik zie wulpse dames met grote roze veren op hun achterste, dadbod-Deadpool, Mario, Luigi, en – gelukkig, hij leeft nog – Elvis Presley. Kwartet.